Historie

Loret Orgel

Het Loret - Vermeersch orgel van de St.-Augustinuskerk in Geleen:

een monumentaal,  romantisch instrument uit 1863


Het orgel is in 1863 door de firma van  François-Bernard Loret in Mechelen opgeleverd.


De naam Loret is de familienaam van een geslacht van musici, organisten, beiaardiers en orgelmakers in de 18de en 19de eeuw in Vlaanderen.

De firma is opgericht door François-Bernard Loret. Hij is geboren op 6 april 1808 in Dendermonde en hij stierf op 17 november 1877 in Mechelen. 

François-Bernard was ingenieur in de mechanica.  Het vak van orgelbouwer leerde hij van zijn vader Jean-Joseph Loret. 

Jean-Joseph Loret was organist en stadsbeiaardier in Dendermonde. 

Het vroegste orgel van François-Bernard Loret dateert van 1834. Met zijn jongere schoonbroer Henri Vermeersch als gezel was hij in Sint-Niklaas een orgelbouwbedrijf gestart. 

In 1839 stapte Henri Vermeersch echter over naar een andere orgelbouwer. 

In 1845 verhuisde François-Bernard Loret zijn bedrijf naar Mechelen, waar hij het samen met zijn broer Hyppolyte (1810 - 1881) en later met zijn zoon Camille (1833-1904) uitbouwde en tot bloei bracht. 

Na zijn dood in 1877 zette Camille het bedrijf van zijn vader nog in beperkte mate voort. Broer Hyppolyte verliet in 1859 het bedrijf en werd een succesvolle orgelbouwer in Parijs.

De volledige naam van het bedrijf van François-Bernard Loret was: 


Manufacture d’Orgues d’églises F. Loret Malines


François-Bernard  Loret bouwde tijdens zijn leven meer dan 300 kerkorgels. Noord-België en Zuid-Nederland waren zijn belangrijkste afzetgebieden. 

Daarnaast was hij auteur van verschillende theoretische traktaten en opiniestukken over de orgelbouw.

Loret werd wereldwijd geroemd om zijn uitvindingen op het gebied orgelmechaniek en pneumatiek. 

Maar hij werd ook bekritiseerd  vanwege de complexiteit van zijn orgels, waardoor deze moeilijk te onderhouden zouden zijn. 

Loret gebruikte bijvoorbeeld een zwengel met krukas voor het bedienen van de balgen. En zijn pijpwerk was dunwandig met een enge mensuur en nauwe voetopeningen. 


Van Mechelen via Rotterdam naar Geleen


1863


De Orde van de Jezuiëten gaf de opdracht voor de bouw van het orgel. Het was bedoeld voor de Onze Lieve Vrouwe kerk aan de Wijnhaven te Rotterdam. Voor deze kerk was door de bekende architect Pierre Cuijpers een groot kathedraalachtig uitbreidingsplan opgesteld, waarin tevens plaats was voor een groot orgel. 

Op 9 april 1863 had de inzegening van het orgel plaats door de provinciaal der Jezuïeten.

In 1864 werd de eerste fase van het plan Cuijpers voor de kerk afgesloten. Het zou tevens de laatste fase zijn. Door gebrek aan financiën, door de ongunstige ligging van het kerkgebouw en door de eerste symptomen van cityvorming werd op den duur definitief afgezien van voltooiing van de kerk. 

Vijfentwintig jaar later werd besloten een dochterkerk te stichten in het zich uitbreidende westen van de stad, aan de Westzeedijk. Deze kerk werd toegewijd aan de H. Ignatius en werd gebouwd in 1882. 


1904


Men besloot het Loret-orgel, dat veel te zwaar was voor de niet afgebouwde  Wijnhaven-kerk, waardoor de grote registers niet gebruikt konden worden, over te plaatsen naar nieuwe de Ignatiuskerk aan de Westzeedijk. 

In 1904 voert de firma Maarschalkerweerd deze overplaatsing uit.  Er werd een nieuw neogotisch front aangebracht. Aan de neogotische ornamentiek van de originele speeltafel uit 1863 is nog te zien dat het oorspronkelijke  Loret-orgel ook al van een neogotisch front voorzien was.

Het nieuwe front bracht echter de noodzaak van nieuwe frontpijpen met zich mee. Deze werden vlak voor de oude Loret-constructie geplaatst. Door twee losse zijvleugels kreeg het front toch de benodigde breedte. De orgelmakers hebben het Loret-orgel overigens zonder grote ingrijpende veranderingen herplaatst. 


1956


In 1956 werd door de Rotterdamse firma Valckx en Van Kouteren een restauratievoorstel gedaan, waarbij het orgel een  ‘opfrisser’  in neobarokke zin

zou ondergaan. Bij deze ‘opfrisser’ werden alle ‘strijkers’ vervangen. Strijkers zijn alle registers van een orgel die strijkinstrumenten imiteren, zoals bijvoorbeeld de viola da gamba. Het resultaat van deze opknapbeurt was dat het gehele orgel en met name het echowerk ingrijpend van karakter veranderde. 

Dit gewijzigde orgel bleef tot de sluiting van de kerk aan de Rotterdamse Westzeedijk dienst doen.

1967


In 1967 werd het orgel door de St.-Augustinusparochie te Geleen aangekocht. 

De Belgische firma Jos Stevens uit Duffel verzorgde de demontage, deed kleine reparaties en herplaatste het in Geleen zonder de zijvleugels, waardoor het de oorspronkelijke breedte terugkreeg.

Door de taaie speelaard en de slechte staat waarin het orgel in 1967 verkeerde, was het maar ten dele als een specifiek Loret-orgel herkenbaar. 


1982


In 1982 besloot het kerkbestuur van de St. Augustinusparochie de mogelijkheden van een herstel van het instrument te laten onderzoeken.

Aanvankelijk had men het plan dit herstel gefaseerd te laten uitvoeren, maar na het verkrijgen van de benodigde fondsen werd toch besloten voor een integrale restauratie. 

Gekozen werd voor de situatie van 1863, met uitzondering van enkele marginale afwijkingen. 

De restauratieopdracht werd verstrekt aan de orgelmakers Verschueren uit Heythuysen (Limburg). Drs. J.J. van der Harst werd als restauratieadviseur aangezocht.


Restauratie


De ‘tractuur’ was nagenoeg authentiek. De tractuur is de overbrenging van de mechanische acties van de organist, zoals bijvoorbeeld het indrukken van een toets of het uittrekken van een register, naar de onderdelen van het orgel die de acties moeten uitvoeren. Bij het vooronderzoek viel de merkwaardige situatie van de ventielen op, in combinatie met de windladen van het hoofdmanuaal. Nu weten we dat François-Bernard Loret hier een variant op de Barkerpneumatiek heeft toegepast. Hij bracht ventielen aan, die in balans zijn met een soort expansiemembraan. Op deze toepassing had hij in 1857 patent verkregen.

Deze oorspronkelijke toepassing was bij het vooronderzoek nog herkenbaar, maar niet meer aanwezig. In overleg met de Belgische orgelmaker is deze constructie hersteld.

Het Loret-orgel van Geleen is nu vrijwel terug in de staat waarin het destijds ontworpen is. Heel bewust heeft de maker veel van de klanken teruggehouden, en voorzien van talloze pasteltinten in strijkers, tongwerken en fluiten.

De fraaie vrijstaande speeltafel is, met uitzondering van de registerknoppen en de registerplaatjes, het enige onderdeel dat van het neogotische uiterlijk van het oorspronkelijke orgel uit 1863 bewaard gebleven is. (Foto: zie achterzijde van dit boekje.)

De mensuren (afmetingen van de pijpen) zijn extreem nauw, de boringen van de windladen klein. 

De manualen hebben een duidelijke trapsgewijze opbouw van forte (hoofdmanuaal) naar mezzoforte (positief) en ten slotte naar piano (echowerk). 


Waardering 


Het orgel van de St.-Augustinuskerk te Geleen is het grootste Loret-orgel in Nederland. Het heeft een meer dan regionale betekenis en laat thans op indrukwekkende manier horen, hoe subtiel Loret intoneerde, zodat er eindeloze klankvariaties mogelijk zijn in de registers afzonderlijk, maar ook in de combinaties ervan. 


Even indrukwekkend is het restauratiewerk van de orgelmakers Verschueren geweest. Zij waren in staat het geschonden klankbeeld te reconstrueren. Een klein voorbeeld hiervan is de Viola 4 van het echowerk, waarvan slechts de helft, en dan nog in aangetaste staat, bewaard was gebleven. Dit register is nu weer van de laagste tot de hoogste toon in zijn tere schoonheid hersteld. Ook de mechaniek wisten zij te herstellen. Vóór de restauratie was de speelaard  taai en tegendraads, waarbij gekoppeld spel nauwelijks mogelijk was.

Bij het gerestaureerde orgel heeft elk van de drie manualen een eigen karakteristiek: het ondermanuaal stevig maar soepel, voortkomend uit de lange afstand van claviatuur naar de windladen; het hoofdmanuaal, dat nu een uitstekende speelaard heeft, mede dank zij het herstelde Loret-systeem; en tenslotte het bovenmanuaal, waarvan de lichte en elegante speelaard geheel in overeenstemming is met de lichte en elegante klanken van dit echowerk. 

Loret hanteerde een nagenoeg eenvormig mensuursysteem voor de labialen van dit orgel en wel zo, dat de pijpen op papier uitwisselbaar lijken. In werkelijkheid is niets minder waar: elke fluitstem heeft zijn eigen karakter, de diverse strijkende stemmen hebben dat evenzeer.


Wanneer Loret spreekt over "Zoo krachtig en zoo vol mogelijk", komt dit tot uiting in de imposante tuttiklank met fraaie en indrukwekkende tongwerken op het hoofdmanuaal en pedaal. De kleinere tongwerkstemmen hebben elk hun eigen functie en kunnen zowel solistisch als kleurend gebruikt worden.


Martin Ruppert

Ton Wolters

Share by: